|
Mineervliegen (Liriomyza spp.) zijn tweevleugeligen (Diptera),
net zoals de gewone huisvlieg. Bij ons komen in de praktijk drie
soorten voor: de tomatenmineervlieg (Liriomyza bryoniae),
de floridamineervlieg (L. trifolii) en de nerfmineervlieg
(L. huidobrensis). Bij de drie soorten zijn de volwassen
wijfjes 2-3 mm groot, en zwart met geel van kleur. Opvallend is
de gele stip op de rugzijde van het borstsuk. De drie soorten zijn
slechts door specialisten uiterlijk te onderscheiden. Mannetjes
zijn iets kleiner (1,5 mm).
Met haar getande legboor prikt het vrouwtje gaatjes in de bovenkant
van de bladeren om zo plantensap te kunnen opzuigen (voedingsstippen).
Mannetjes hebben zelf geen legboor en profiteren dus van de gaatjes
gemaakt door de vrouwtjes. In zo'n gaatje kan een wijfje ook een
eitje leggen. Voedingsstippen zijn rond en eistippen zijn ovaal.
De larve die uit het eitje komt, begint onmiddellijk met het vreten
van gangen door het bladweefsel.
Er zijn drie larvestadia. In het eerste larvestadium is de larve
transparant, maar in de latere stadia is zij, afhankelijk van de
soort, vuilwit of okergeel (L. trifolii). Net voor de verpopping
maakt de larve een sikkelvormige uitgang en verlaat het blad. Zij
laat zich meestal vallen om te verpoppen in de grond of in de plooien
van het plastic bij substraatteelt, maar soms blijft zij aan het
blad hangen. Afhankelijk van de soort is de pop geel tot bruin of
roodbruin. De ontwikkelingsduur van ei tot volwassen mineervlieg
is sterk temperatuursafhankelijk. Bij de floridamineervlieg bedraagt
deze 12-14 dagen bij 30°C en 54-61 dagen bij 15°C. De eerste generaties
bij het begin van de teelt volgen elkaar vaak in golven op.
Een volwassen vrouwtje leeft 1-2 weken. Het aantal eitjes dat ze
legt, hangt sterk af van de soort, de waardplant en de temperatuur,
en kan variėren van verscheidene tientallen tot enkele honderdtallen.
|